Wat is het verschil tussen SCOP en COP bij een airco?

Kort antwoord: een COP is het rendement op één vast meetpunt. Een SCOP is hetzelfde soort verhouding, maar berekend over een heel stookseizoen. Ze zeggen dus iets anders en je kunt ze niet naast elkaar leggen. Welk van de twee een fabrikant mag gebruiken, hangt af van het type toestel en ligt vast in de Europese labelverordening.
Wat betekenen COP en SCOP?
COP staat voor coefficient of performance, ofwel prestatiecoëfficiënt. Het is de verhouding tussen de warmte die een toestel levert en de elektriciteit die het daarvoor gebruikt, gemeten bij één vaste combinatie van binnen- en buitentemperatuur. Levert een toestel 2.930 W warmte bij 815 W opgenomen vermogen, dan is die verhouding 3,6.
SCOP staat voor seasonal coefficient of performance. Dat is dezelfde verhouding, maar berekend over een heel stookseizoen. De meetnorm EN 14825 schrijft voor dat er dan op meerdere deellastpunten wordt gerekend en voor drie Europese klimaatprofielen, zodat er één getal uitkomt dat een heel seizoen samenvat.
Voor koelen bestaan dezelfde twee getallen onder een andere naam. Op één meetpunt heet het EER, over een heel koelseizoen SEER.
Welke van de twee hoger uitvalt, is niet in het algemeen te zeggen. Dat hangt af van hoe een toestel op deellast werkt. De les is dus niet dat het ene getal beter is dan het andere, maar dat ze twee verschillende dingen meten.
Waarom staat op de ene airco een SCOP en op de andere een COP?
Omdat de Europese labelverordening 626/2011 onderscheid maakt naar type toestel en zelf voorschrijft welk getal erbij hoort. Dat is dus geen keuze van de fabrikant.
Voor een airco met twee luchtkanalen gebruikt de verordening EERrated en COPrated: het rendement op één vast meetpunt. Twee luchtkanalen betekent dat de lucht voor de condensor via het ene kanaal van buiten naar binnen komt en via het tweede kanaal weer naar buiten gaat. Dat is precies hoe een monoblock zonder buitenunit werkt, met twee doorvoeren door de muur.
Voor een airco met één luchtkanaal, zoals een mobiele airco met één slang uit het raam, geldt hetzelfde principe, op een eigen schaal.
Voor de overige toestellen, waaronder de gewone split-airco met een buitenunit, schrijft de verordening SEER en SCOP voor.
Mag je een SCOP van 4,0 vergelijken met een COP van 3,6?
Nee, en daar zijn drie redenen voor die bij elkaar opgeteld zwaar wegen.
- Het zijn verschillende soorten getallen. De ene is één meetpunt, de andere een gemiddelde over deellast en drie klimaatprofielen.
- Ze worden bij andere omstandigheden bepaald. Voor een toestel met twee luchtkanalen ligt het meetpunt voor verwarmen op 7 graden buiten en 20 graden binnen, en voor koelen op 35 graden buiten en 27 graden binnen. Die condities staan in verordening 206/2012.
- De verordening gebruikt voor beide soorten een eigen klassenschaal voor het energielabel. Dezelfde letter betekent dus niet hetzelfde getal.
Dat laatste is met een voorbeeld het duidelijkst. In de klassentabel voor toestellen met twee luchtkanalen valt een COP van 3,6 in klasse A+, de band die loopt van 3,60 tot 4,10. In de tabel voor de overige toestellen begint klasse A+ pas bij een SCOP van 4,00. Twee toestellen die allebei A+ op het label hebben, kunnen dus verschillende getallen hebben, bepaald volgens verschillende methodes. Allebei die tabellen staan in bijlage II van verordening (EU) nr. 626/2011.
Kan één toestel twee verschillende klassen hebben?
Ja. De verordening beoordeelt koelen en verwarmen apart, met eigen grenswaarden per stand. Een toestel kan daardoor voor verwarmen in een andere klasse vallen dan voor koelen.
Staat er in een advertentie één letter zonder erbij te zeggen over welke stand het gaat, vraag dan door. Koop je het toestel vooral om te verwarmen, dan wil je de klasse voor verwarmen weten, en andersom.
Wat betekent dat rendement in de praktijk?
Een getal dat op één meetpunt is bepaald, geldt bij die ene omstandigheid. Bij verwarmen is dat 7 graden buiten. Wordt het kouder, dan moet het toestel een groter temperatuurverschil overbruggen en zakt de verhouding tussen warmte en stroom.
Dat is geen gebrek, dat is hoe een warmtepomp werkt. Hij maakt geen warmte maar verplaatst warmte van buiten naar binnen, en hoe kouder het buiten is, hoe minder warmte er te verplaatsen valt en hoe harder hij daarvoor moet werken.
Daarom zit er in veel toestellen ook een elektrisch verwarmingselement voor strenge kou. Zo'n element zet stroom één op één om in warmte, dus daar is de verhouding 1 op 1. Hoe minder vaak het nodig is, hoe lager het verbruik over een heel seizoen uitkomt.
Waarop kun je toestellen dan wel vergelijken?
Op de vier getallen die je zelf kunt narekenen: het verwarmingsvermogen, het opgenomen vermogen bij verwarmen, het koelvermogen en het opgenomen vermogen bij koelen. Deel het eerste door het tweede en je hebt de verhouding bij verwarmen, deel het derde door het vierde en je hebt die bij koelen. Daar heb je geen meetnorm voor nodig die je toch niet kunt controleren.
Bij de AirExchange 12-R monoblock zijn dat 2.930 W warmte bij maximaal 815 W stroom, en 3.500 W koeling bij maximaal 1.340 W stroom.
Kijk daarna naar iets wat in geen enkel rendementsgetal zit: of het toestel bij je ruimte past. Een zuinig toestel dat te klein is voor de kamer draait langer op een hoge stand en verbruikt in de praktijk alsnog meer dan een toestel dat ruim in zijn vermogen zit.
En let op wat een rendementsgetal helemaal niet meet: hoeveel geluid het toestel maakt, of er een buitenunit aan je gevel moet, en of je dat in jouw woning mag ophangen.
Hoe weet je wat bij jouw ruimte past?
Een getal op een specificatieblad maakt twee toestellen van hetzelfde type vergelijkbaar. Over jouw kamer zegt het niets. Voor die vraag hebben we drie dingen nodig: de afmetingen van de ruimte, de hoogte van het plafond en een foto van de muur waar het toestel zou komen.
Daarmee rekenen we het na voor jouw huis in plaats van voor een gemiddelde woning.




